De opleidingen Pedagogiek als educatieve en sociale lift

Al in het midden van de negentiende eeuw betoonde Johan Rudolf Thorbecke zich een voorstander van een versterking van de pedagogische professionaliteit van het gymnasium en vooral het ‘opleidingsonderwijs' aan de zieltogende kweekscholen. Daar zou het tot 1925 niet van komen, enerzijds omdat er voor beroepskrachten die zichzelf en hun beroep verder wilden ontwikkelen weinig op te steken viel van de universitaire beoefening van het vak (die stelde weinig voor), en anderzijds omdat men in het onderwijsveld beducht was voor staatsinvloed op het per definitie als 'levensbeschouwelijk' opgevatte vak pedagogiek.

Om die twee belemmeringen te ondervangen én om goede docenten die afkomstig waren uit de lagere en middenklasse een omweg te verschaffen naar de universitaire examens, riep op 6 april 1925 een aantal hoogleraren onder leiding van Philip Abraham Kohnstamm de Vereniging tot Bevordering van de Studie der Pedagogiek (VBSP) in het leven die de "wetenschappelijke beoefening der Paedagogiek in Nederland" nastreeft zoolang niet van Regeeringswege een akte Middelbaar-Onderwijs-Pedagogiek is ingesteld". De Vereniging ging dienen als toezichthouder op het onderwijs dat zou leiden tot de akten MO A en B Pedagogiek. Later is aan deze diploma's een onderwijsbevoegdheid op tweede- resp. eerstegraadsniveau toegekend voor de vakken pedagogiek, onderwijskunde, agogiek, algemene didactiek en psychologie.

De oprichting van deze ‘neutrale’, naar levensovertuiging ongebonden Vereniging was om twee redenen een meesterzet: de gevaren van een staatspaedagogiek (Kohnstamm, 1919) werden bezworen, de verschillende opleidingen kregen een gemeenschappelijke noemer en de waarde van de akten nam toe voor het afnemende veld. Tegelijk boden zij, zoals alle opleidingen tot middelbare akten, een tijdadequate mogelijkheid tot opwaartse culturele en wetenschappelijke mobiliteit, tot en met een universitaire promotie; een tweede-kans-Aufstieg (een wetenschappelijke én maatschappelijke liftfunctie dus) die tot het eind van de jaren zeventig zeer gebruikelijk was: in de avonduren en op zaterdag de hoofd- en bijvakken volgen, die onderwezen werden door docenten die overdag aan de universiteiten werkzaam waren.

Een onderwijsprogramma dat onder toezicht stond van de Inspectie, het ministerie en de Vereniging. Een tikkeltje ouderwets, schools en solide wellicht, maar zeer gewild door de pedagogische beroepspraktijk. Hoge toelatingseisen (een hogere beroepsopleiding én idem ervaring, plus levenservaring zogezegd) golden voor de initiële opleiding, de MO A – waarop een B-opleiding volgde op een in feite doctoraalniveau. In de loop van de tijd hebben alle MO-opleidingen Pedagogiek in Nederland zich aangesloten bij de VBSP:

  • het Mgr Hoogveld Instituut bood de eerste opleiding Pedagogiek, in 1915, later Interstudie geheten. De Katholieke Universiteit Nijmegen begon daarnaast sinds 1925 een MO-opleiding Pedagogiek. Vandaag maken de pedagogiekopleidingen deel uit van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN)
  • de vroegste voorgangster van de huidige Fontys Hogeschool voor Pedagogiek, met ves-tigingen te Tilburg, Sittard, Den Haag en Amsterdam, is het Psychologisch-Paedagogisch Instituut, opgericht in 1916 te Tilburg, later decennia bekend als de RK Leergangen (1952)
  • het Nutsseminarium voor Pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam, volgde in 1918; sinds 1986 deel uitmakend van de Algemene Hogeschool Amsterdam, en weer later van de Hogeschool van Amsterdam
  • de Stichting voor P(a)edagogisch Onderwijs aan de Rijksuniversiteit Groningen, opgericht in 1918
  • het Pedagogisch Seminarium van de Vrije Universiteit te Amsterdam, gesticht in 1926, nu samen met de voormalige Vrije Leergangen en de Gijsbrecht-Academie, ondergebracht bij de Hogeschool Inholland
  • de Hogeschool Driestar te Gouda, opgericht in 1944, startte in 1985 haar Pedagogiekopleiding MO A
  • de Pedagogiek-opleidingen van het Pedagogisch Seminarium te Utrecht, later SOMA geheten (Stichtse Opleidingen Middelbare Akten), opgericht in 1949, worden thans verzorgd door de Hogeschool Utrecht
  • de Pedagogiekopleidingen binnen de Noordelijke Leergangen te Leeuwarden, begonnen in 1950
  • het Nutsinstituut voor Paedagogiek, opgericht in 1953 door de Gemeente Rotterdam en de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, in 1955 verbreed tot de Nutsacademie voor Pedagogische en Maatschappelijke Vorming, tegenwoordig in het cluster Pedagogiek & Sociaal-pedagogische Hulpverlening deel uitmakend van de Hogeschool Rotterdam
  • in 1966 werd de Stichting Nederlands-Antilliaanse Academie in het leven geroepen, die in 1986 van naam veranderde in Stichting Permanente Educatie, en anderhalf decennium later in HRDF (Human Resources Development Foundation)
  • de Nutsacademie te Middelburg, Zeeland, opgericht in 1980, later afgekort tot NUMA, maakt vandaag deel uit van de Hogeschool Rotterdam.
  • In het verleden verzorgde ook de Koninklijke PBNA te Culemborg en Arnhem MO Pedago-giek-opleidingen, terwijl de toenmalige studenten van het Nederlands Schriftelijk Studiecentrum te Culemborg hun examens aflegden in Tilburg.

Met de inwerkingtreding van de Wet Hoger Beroepsonderwijs (1986) vinden er, behalve op Aruba en de Nederlandse Antillen waar de WHBO (Wet op het Hoger Beroepsonderwijs) en de latere WHW (Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek, 1993) geen werking hebben, geen examens meer plaats onder toezicht van de VBSP en een zgn. ‘rijksgecom-mitteerde’. De oude MO A-opleiding Pedagogiek, die veertig jaar na het daartoe strekkende voor-stel van prof. Kohnstamm (in 1949) twee varianten kreeg (een lerarenvariant en een algemene be-roepenvariant) is momenteel een bachelor-opleiding, die in deeltijd- en in voltijd wordt aangeboden, met (sinds 1981) een studieomvang van vier jaar.

En de oude MO B-opleiding is na een ruim tienjarige benaming als Hogere Kaderopleiding Pedagogiek (HKP) bij alle bovengenoemde hogescholen inmiddels een Masteropleiding. Een opleiding kan tegenwoordig pas worden aangeboden na een accreditatie vanwege de NVAO (Nederlands-Vlaamse AccreditatieOrganisatie), die elk zes jaar plaatsvindt

Is de droom van Thorbecke na 150 jaar uitgekomen? Het gaat anno 2008 over de hele linie onverminderd goed met de opleidingen Pedagogiek. In elk geval kwantitatief, als we kijken naar de aanhoudend groeiende studentenbelangstelling. Het totaal aantal ingeschreven studenten (hpo, hsao, master en hkp) nam van 2003 tot 2007 toe van 6040 naar 7805, een stijging van ruim 29%. De forse groei over dezelfde jaren, net als over 2002-2006, van 59%, zit al jaren bij de Algemene Beroepenvariant (hsao): nu dan van 4293 naar 6832 studenten. Daar staat, in dezelfde periode, een aanhoudende, zij het opnieuw licht afgevlakte daling van de lerarenvariant (hpo) tegenover, van 419 naar 360, 14% dus. Deze LV/bacheloropleiding wordt door de meeste instellingen niet meer aangeboden. Er zijn redenen genoeg om hierin verandering te brengen. In deze richting zullen het bestuur en de LPP een initiatief nemen, bij voorkeur in samenwerking met lectoren/kenniskringen die zich op het vlak van het Pedagogiekonderwijs en de onderwijs-pedagogiek bewegen.

De terugloop van het aantal HKP-ingeschrevenen ligt verder voor de hand (van 148 naar 105): mensen studeren af, en de opleiding loopt af. Hier is van meer sprake dan communicerende vaten aangezien de accreditatie van bijna alle HKP-opleidingen tot masteropleidingen haar vruchten begint af te werpen. De masteropleiding zit in de lift (naar boven). Die stijging zet zich voort naar 564 studenten in 2006.

Niet alleen in kwantitatieve zin is deze groei van de masteropleiding verheugend. Professionaliteit moet worden bijgehouden, voortdurend, en vooral verbreed zoals ook Europese inzichten (Bologna, Lissabon, Dublin) dat verlangen. Naarmate de masteropleiding in belangstelling en kwaliteit stijgt is er minder reden om terug te hunkeren naar de traditie van de oude Middelbaar Onderwijsakten die twintig jaar geleden op haar eind liep. Dan kan in elk geval de belangrijkste van de oude ambities nieuwe impulsen krijgen: de professionalisering in deeltijd van mid career-beroepskrachten, oftewel de koppeling van vervolgopleiding en de beroeps- en beleidspraktijk.

De initiële opleidingen willen zich zowel helder opstellen wat betreft de specifieke pedagogische invalshoek als sceptisch zijn ten aanzien van soms nogal formele, brede hsao-basisprofielen met etiketten als social work – aanduidingen die op zich niet oninteressant zijn. Wanneer opleidingen zich breed profileren dan is dat goed vanwege de hedendaagse eis van ‘ketenverantwoordelijkheid’: waar vragen en problemen bij het opgroeien van kinderen en jongeren (ontwikkelings-stadia of ‘transities’, en de belangrijkste determinanten, oftewel ‘trajecten’) samenhangen, daar moeten pedagogische en andere voorzieningen samenwerken. Maar die professionele dubbel-zinnigheid van de pedagogiek mag niet weggemasseerd worden met te algemene noties zoals de competenties die studenten zich maar zelfverantwoordelijk moeten verwerven.

Dat zijn al met al interessante ontwikkelingen waar de VBSP zich met haar plannen voor de komende jaren wil aansluiten. Tegelijk wil zij haar ‘horizon-oriëntatie’ handhaven, en tegenover de hectiek van alle dag de brede perspectieven niet schuwen en bijdragen aan de publieke debatten over onderwijs en opvoeding die allerwegen woeden.

Prof. dr. A.L.T. Notten, oud-voorzitter VBSP